“Filosofie wordt gedragen en beheerst
door de verwondering. In de verwondering houden we stil. We treden
als het ware voor het zijnde terug – voor het feit dat iets is.
In dit stilhouden en terugtreden worden we meegesleept, letterlijk
geboeid door datgene waarvoor we terugtreden; het zijn (van
het zijnde) dat zich in en door het zijnde opent. De verwondering (de
filosofie) is de dis-positie waarin en waardoor het zijn van
het zijnde zich opent.”
Martin Heidegger in Was ist das –
die Philosophie? (1928)
Filosofie is geen vastomlijnde
wetenschap; het is een proces, een geestelijke wandeling door het
gebeuren van het brute zijn; het is een zich op weg begeven zonder te
weten waar men uitkomt. De tocht wordt gedragen door de verwondering
en het vereist moed om onbekende paden te betreden. Deze om- en
rondtrekkende beweging uit zich bij Heidegger in werktitels als
Wegmarken, Holzwege en Unterwegs zur Sprache. Rond 1930
is er in zijn werk is ook sprake van een Kehre (wending). De
wegbewijzering van zijn magnum opus Zein und Zeit (1920) wordt
bijgesteld of volgens sommigen zelfs omgedraaid. Na de doodlopende
weg van Heideggers tijdsinterpretatie om tot een zijnsverstaan te
komen, oriënteert hij zich nu in toenemende mate op het fenomeen
waarheid (alètheia) als invalshoek voor de zijnsvraag.
“De volgorde
van het vragen is zelf al de weg van een denken dat zich niet als
leverancier van voorstellingen en begrippen, maar als verandering van
de relatie tot het zijn ervaart en beproeft.”
Martin Heidegger
in Over het wezen van de waarheid (1930)
Filosofie is
volgens Heidegger in wezen niets anders dan ontologie: een uitleggen
of begrijpen van het zijn van zijnden. Vandaar dat de geschiedenis
van de filosofie niets meer is dan een opeenvolging van
interpretaties van het zijn. Iedere historische periode manifesteert
het zijn zich op een andere wijze aan de mens, die zelf het meest
bijzondere zijnde is. In de metafysica hebben grote denkers steeds
opnieuw geprobeerd het zijn uit te leggen. Herakleitos dacht het als
physis, Plato als Idee, Aristoteles als energeia,
Spinoza als goddelijke substantie, Kant als objectiviteit, Hegel als
Geist, Nietzsche als wil tot macht.
De ‘waarheid’ is geen kenmerk van het juiste oordeel van een menselijk subject over een object. Het wezen (als werkwoord!) van de waarheid is dat de mens onvermoed in een stemming van verwondering wordt gebracht. Heidegger spreekt van een zich steeds weer onttrekkende grond én afgrond waarin de vrijheid van het denken ligt besloten.
< Terug