Over de statistiek. Kierkegaard

Soren Kierkegaard Angst

Kierkengaard: ‘Uiteindelijk zal het de natuurwetenschap zijn, die alle ethiek verdringen zal […].Al dat moderne statistieken-gedoe m.b.t. het ethische draagt daartoe reeds voortdurend bij.’

De statistiek is als term geïntroduceerd door de Duitse politicoloog Gottfried Aschenwall (1719-1772) als ‘staatsaangelegenheid’ (uit het moderne Latijn: statisticum). In het Duits is Statistik ‘staatswetenschap’. Het Italiaanse statista betekent ‘staatsman’. De statistiek hield zich aanvankelijk alleen bezig met staatszaken (belastingen) maar werd al snel uitgebreid naar allerlei massaverschijnselen.

Kierkegaard: ‘Naarmate de getallen groeien en het getal zelfs de wet wordt van het menselijk bestaan, bewerkt de gedemoraliseerde levensvisie van deze duizenden en nog eens duizenden, dat de mens alleen nog vergelijkenderwijs (comparatief) leeft. Heel het leven lost zich op in dit vergelijkend geleuter en het numerieke slijk wordt opgesmukt om nog iets te betekenen in naam van het politieke of het historische.’

Het opgaan in de hel van het gelijke is het kenmerk van geest-loosheid. Dit is tevens het kenmerk van de huidige tijd - deze periode in het Antropoceen - waarin mbv computermodellen, statistieken en algoritmes krampachtig gepoogd wordt de geestloosheid (het nihilisme) te verbloemen. Ook Heidegger verwerpt het 'gelijke' en zet daar het zelf tegenover (das Jemeinige). Anders dan het gelijke (de geestloze eenheidsworst) kent het zelf een innerlijkheid met een openheid (open geest) naar de dingen (de andere zijnden) die zich in de wereld aandienen.

Kie.: ‘[…] Betekenis wordt afgeleid uit de grootte van het aantal deelnemers, dat het getal betekenis geeft, als ware de idee hetzelfde als de geld tellende kassier. Oorlog in Europa, revoluties, kunstexposities en pamfletten hebben weliswaar nooit één mens als oorsprong; toch wil men tegenwoordig niet inzien dat deze dingen, die op zich niet zo belangrijk zijn, zulks in feite pas worden door het getal, dat het belang er aan geven moest.
Kierkegaard heeft meer dan anderhalve eeuw geleden al haarfijn door hoe het individu door de numerieke terreur wordt vernietigd. De statistiek kan maar één ding: verschillen uitfilteren en uiteindelijk alles gelijk maken. Maar de massa vindt het prima. Mensen willen geen verschillen; ze willen geen negativiteit in hun tijdelijke leventje hier op aarde. Ze hebben niet door dat het wezen van het aardse leven precies in de verschillen zit.

Kie.: ‘Met al dat verdelen, hier wat af en daar wat bij, zal het wel lukken, dat men er eindelijk eens achter komt, dat de gelijkheidsfactor, de noemer van menselijke gelijkheid in het louter-aardse, gelegen is in het verschil! De filosofische systemen waren op zoek naar de pure mens, tegenwoordig is men op zoek naar de gelijke mens.

Kierkegaard is een religieuze (christelijke) denker; alleen in het eeuwige is alles gelijk. Kie.: ‘Verschaf ons weer uitzicht op het eeuwige en dan is er geen bloedvergieten meer nodig’. Maar helaas heeft ‘de Voorzienigheid’ nu haar geduld verloren. Zij zal meedogenloos duidelijk maken hoeveel waanzin en ‘contradictie er steekt in al dat gedoe van mensen, algemene vergaderingen, ballotages en bombardementen, als surrogaat voor godsdienstigheid’.
Voordat we onze materialistische oogkleppen afdoen, voordat onze expansiedrift en gelijkmakingsdrang is opgeheven en we weer ‘een blik op het eeuwige’ krijgen, ‘zal er nog veel bloed en bombardement [een catastrofe, BH] nodig zijn en zal nog menig minister zijn verstand verliezen. Hoelang deze compulsieve kramp nog door moet gaan, weet niemand. Men hoeft geen groot psycholoog te zijn om in te zien, hoe moeilijk het is deze louter-wereldse [materialistische], BH] verstandigheid (en het bijgeloof in haar verlossende en gelukzaligmakende kracht) weer recht te trekken en […] tot een ommekeer te komen.

Het verstand (de rede, de ratio) staat volledig in dienst van vermeerderen en behouden van bezit en macht. Dit is echter voorbehouden aan een kleine heersende elite (oligarchen, plutocraten) die zich verbeeldt dat het toch zal lukken om de gelijkheid in de wereld te berekenen en te bewerkstelligen.
Kie.: ‘En stuipend volgt het ene ministerie het andere op’. En niemand die inziet dat de ingeslagen weg dood- (sic) lopend is. Nee, […] men begint onmiddellijk weer te formeren, net als het vorige kabinet, maar nu doet men iets mider voor de kroegbazen, iets meer voor de kaarsengieters, neemt men iets van de grootgrondbezitters af en doet men er voor het proletariaat weer wat bij; men schakelt dominees en dekens gelijk en men schakelt ook de nachtwacht met een bochel en de kreupele knecht van de hoefsmid gelijk. Hoe woke wil je het hebben?
Zie: (In)tolerantie en het wokeïsme
Kierkegaard toont hier een geniaal inzicht in toekomstproblemen. Hij voorziet dat ‘intussen het volk […] steeds onrustiger wordt en steeds wilder. […], maar zelf als de stuipenperiode en de tijd van de politieke ministeries voorbij is, zullen er weer tirannen (koningen, pausen, generaals; voor Kie. een pot nat) opstaan en wereld blijven besturen. Maar als de massa’s over hun kritieke punt heen zijn en in beweging zijn gekomen zullen ‘alleen martelaren op het beslissende moment de wereld kunnen regeren’. ‘Dit betekent dat geen mens op dat moment nog een volk zal kunnen besturen: alleen God kan dan nog en wel m.b.v. mensen die hem absoluut gehoorzaam zijn en tegelijk bereid te lijden; maar dat is de definitie van de martelaar. Zo gauw de vierde stand (het volk, de massa, BH) eenmaal is ingezet, kan er alleen nog goddelijk, alleen nog religieus worden geregeerd’.
Maar dat impliceert dat de mens, ieder singulier subject in de massa, er alleen voor staat! Inderdaad, deze conclusie – die angst inboezemt – moeten we trekken. Heel het leven, heel de werkelijkheid staat en valt met de overgave, met een zich-actief-inlaten met de zin van het eigen sterfelijk bestaan. Vluchten kan niet meer. In dat licht – vanuit de categorie van de enkeling – kan alleen de intieme band tussen mens en God verklaren dat één enkel singulier mens toch een algemeen subject kan zijn.
Voor Kierkegaard is elk mensenleven religieus aangelegd. Wie zich daadwerkelijk in zichzelf verdiept en zich verhoudt tot zijn eigen oorspronkelijkheid (Kie. noemt dit ook ‘primitiviteit’) heeft tegelijk een algemene betekenis; nl. een verhouding of verbondenheid met heel de gemeenschap en met heel de kosmos. Voor een gelovige is dit evident. Immers: hoe meer Godsverbondenheid, hoe groter de kosmische dimensie van het individu. Primitiviteit is volgens Kierkegaard ook de mogelijkheid van ‘geest’. En zie hier de link met het spirituele denken bv. Deepak Chopra, Rupert Spira en ook Carl Jung.

< Terug